Binnenkomen - juli 2007

Gelukkige liefde
Uit ‘‘Uitzicht met zandkorrel’’ -Wislawa Szymborska
Gelukkige liefde. Is dat normaal,
verdient dat respect, heeft dat nut –
wat moet de wereld met twee mensen
die voor elkaar de hele wereld zijn?
Zonder enige verdienste tot elkaar verheven,
stom toevallig twee uit een miljoen en er toch van overtuigd
dat het zo moest gaan – als beloning waarvoor? voor niets;
het licht valt nergens vandaan – waarom juist op hen, en niet op anderen?
Is dat kwetsend voor ons rechtsgevoel? Jazeker.
Schendt dat onze zorgvuldig opgeworpen principes,
stoot het de moraal van zijn top?
Het een zowel als het ander.

Kijk eens naar het gelukkige stel: als ze zich nu een beetje inhielden,
om hun vrienden te sterken neerslachtigheid voorgaven!
Hoor eens hoe ze lachen – aanstootgevend.
Wat voor taal ze bezigen – alleen in schijn begrijpelijk.
En dan al die vormelijkheden, poespas,
die subtiele verplichtingen jegens elkander –
het lijkt wel een komplot achter de mensheid om!
Je kunt nauwelijks voorzien waartoe dit zou leiden,
als hun voorbeeld nagevolgd kon worden.
Waarop zouden poëzie, religie nog kunnen hopen,
wat zou men respecteren, wat nalaten,
wie zou in de kring willen blijven.
Gelukkige liefde? Is dat echt nodig?
Tact en gezond verstand gebieden ons erover te zwijgen
als over een schandaal in Hogere Sferen.
Prachtige kindertjes worden zonder haar hulp geboren.
Nimmer zou ze de aarde kunnen bevolken,
ze komt ten slotte maar zo zelden voor.

Laat de mensen die geen gelukkige liefde kennen
maar volhouden dat er nergens gelukkige liefde is.
Met dat geloof valt het hun lichter te leven, en te sterven.

(ingredienten: Muziek: Come In - Martynov, gedicht: Szymborsko, Lezing: 1 Koningen 19Elia en Openbaring 3: 14vv)

Het stuk van Martynov, een levende Russische componist die componeert in de trant van Arvo Part - het eindigde met een castagnet, met een kloppen. Klopt en u zal worden opengedaan, staat er in de Bijbel. En we lazen: Zie - ik sta voor de deur, en ik klop.
Op afbeeldingen in kinderbijbels zie je dan Jezus - en de deur, gesloten - en geen klink op de deur.
De boodschap is dan natuurlijk dat wij zelf moeten open doen.
Wij zullen Kom Binnen moeten zeggen. Hij zal ons nooit onuitgenodigd te binnen schieten.

En dan daarbij aansluitend: Stanley Spencer, de kunstenaar van vandaag.
Op 22 september staat de eerste spranglezing in het teken van deze vreemde, Engelse kunstenaar - die aan een grote revival bezig is. Zeker in Engeland. David Bowie heeft een film over hem gemaakt, Lucian Freud bewijst het eer, Ben Kingsley (Gandhi) heeft hem gespeeld in een film over zijn vreemde leven. Spencer werd geboren, woonde en werkte 40 kilometer van Londen, in Cookham, en stierf ook daar in 1959. In Engeland, en ook Amerika waar hij op kort geleden een enorme tentoonstelling had in het MOMA van New York - daar is hij wereldberoemd. In vasteland Europa is hij nog veel minder bekend en is wel te begrijpen; maar niet terecht.
Hij was enig in zijn soort, een absolute buitenstaander, liet zich vooral door Giotto c.s. inspireren en schilderde vooral de eerste wereldoorlog, zijn vrouwen, en Jezus.
Meer daarover over een paar maanden, hier. Maar kom maar want hij is werkelijk interessant.

Spencer laat Jezus hier Cookham binnen rijden, zoals in zijn beleving alles uit de Bijbel zich in Cookham afspeelt. Het huis met het hek is zijn eigen huis en dat van de buren. En Jezus is de man met de witte mantel. Je ziet de teugels van de ezel, ziet nog een matje op de grond; je ziet hem verdwaasd kijken, hij wordt door niemand gezien. En inderdaad: hij heeft geen schaduw.
De mensen dat zijn wij, dat is hij.
Twee figuren die voorbijvliegen, die holderdebolder voorover leven, hoofden naar de grond. Achter hen op de stoep kijken mensen omhoog; ook de verkeerde kant op. Dan zie je mensen opzij stuiven naar een verdwijnpunt rechts op het doek. Ze schieten als het ware spiraalsgewijs uit de grond (paradijs?) op, om vluchtend weer buiten beeld te geraken.
Aan het hek als ware het een voetbalwedstrijd kijken we naar de hollende mensen, kijken we om, komen we aanhollen maar zien we niets.

Er zit iets potsierlijks in deze voorstelling; Iets tragikomisch. Alsof Jezus de clown is. Van een andere dimensie; van een andere wereld. Onzichtbaar. Misbaar. En niet onmisbaar.
De Jezus van nu is blijkbaar van gisteren.

Maar de mens die dit schilderij heeft geschilderd: Hij ziet hem wel. Spencer ziet Jezus overal, ook, en juist, in Cookham. En hij wil Jezus laten zien in Cookham, aan de mensen van zijn geliefde dorp. Hij heeft een boodschap met dit schilderij: midden onder u is hij die gij niet kent; een man op een ezel, een vreemdeling zeker die verdwaald is zeker, hij komt voor jullie, voor ons, zoekt ons, staat voor onze deur en hij klopt, hij klopt -
kijkt de kant op van de enige andere die rust uitstraalt.
Misschien zijn wij dat ook wel.

De binnenkomst van Jezus in Jeruzalem, heet dit doek, en het hangt tegenwoordig in Leeds. Ik was achttien toen ik het voor het eerst zag op een ansicht, en plakte hem op mijn dagboek, en heb er een jaar mee geleefd, en het schilderij blijft me intrigeren. Prachtige compositie. Vreemde kleuren. Roept veel vragen op, dit doek, en daar is niets mis mee; en smaakt naar meer.

Het gedicht van (Nobelprijswinnares) Wislawa Szymborska kan de afbeelding en wat Spencer ermee wil zeggen, duidelijk maken. Thema is eigenlijk hetzelfde, het gedicht staat achterop uw blad en ik zal het voorlezen:

Moeilijk is het niet, denk ik? Szymborska is doorgaans niet moeilijk, ze schrijft heel concreet over doodgewone zaken. Maar: Het is ironie.
Szymborska is abstract noch moeilijk; er staat geen woord Frans in laat staan Pools, het is even concreet als het doek van Sir Stanley Spencer. Maar wel houden ze ons de spiegel voor.

Johannes schrijft in het gedeelte dat we lazen over een gemeente in Laodicea, die koud, noch warm is, maar lauw, en daarom, heel plastisch, uitgespuwd wordt.
Het risicoloze vlees noch vis, dat beschrijft hij hier ook met ironie. Verzadigd. De buik vol. Niet eens meer beseffen hoe arm of berooid je bent.
Dorothee Solle schreef ergens dat de ware ballingschap van het volk Israel daarin bestond, als ze vergaten dat ze ballingen waren. Het verlangen gedomesticeerd, getemd, verdoofd.
Het is een uitnodiging voor het Leven.

En zo keer ik terug naar het eerste, bekende stuk van Elia.
Ook daar een soort gesloten deur: Kom je grot uit, zegt God; zie ik sta aan de deur en ik klop.
Toen kwam de storm. En dat klopte niet.
Daarop een aardbeving. Dat klopte al evenmin. Toen: Vuur.
Met alle geweld - nee dat klopt niet. Zo komt hij niet binnen. De klink is tenslotte aan onze kant.
Maar in het gefluiter van een zachte bries..

Vijftien jaar geleden was ik in Oeganda, in de hoofdstad Kampala. Kampala is een stad van littekens.
Er zitten gaten in het wegdek, scheuren in de huizen en sterren in het raam. Alleen de rijke banken, de parlementsgebouwen en de dure hotels ogen onaangedaan;
daar zit het grote geld te rentenieren.
Op een avond neem ik een kijkje in het fort dat Sheraton Hotel heet. Ik wordt binnengelaten omdat ik blank ben en dus waarschijnlijk tot een hulporganisatie behoor. Hier slaan USaid, het IMF en de Wereldbank hun 'tenten' op. Medewerkers ontvangen behalve de overnachting nog eens 210 dollar per persoon per dag.
Kapitale organisaties begaan kapitale zonden. Er is niets nieuws onder de zon.. Ik voel een machteloze woede.
Mijn humeur wordt er niet beter op als ik een dag later verderop in het stadje Jinja met een spring-maar-achterop fietstaxi meerijd. De jongen, George heet hij, is dertien, en gaat niet meer naar school. Zijn ouders kunnen het schoolgeld niet betalen.
Andere kinderen vergaat het niet anders. Het schoolgeld is 68.000 Oegandese shilling per jaar: dik vijftig gulden, nog afgezien van boekengeld en uniform.
Een boer werkt daar twee maanden voor.
In het restaurant Rendez-vous werkt Ntale, een zachte, intelligente jonge man voor een salaris van twee tientjes in de maand. 'Kan ik mijn ouders zeep en zout van geven,' zegt hij, niet zonder trots.
'Houd je van je ouders?'
'Natuurlijk! Ze hebben mij toch op de wereld gezet? Ik ben de achtste van tien, we dragen allemaal wat bij. Mijn ouders zijn oud... Ze zijn al vijftig, ze hebben vast niet lang meer te leven.'
Zijn ouders verbouwen koffie. Ze krijgen omgerekend zestien cent per kilo.
Ik vertel hem dat een kilo koffie bij ons vijftien gulden kost. Waar blijft het geld?
Ntale zucht: 'In de ogen van de wereld zijn wij niet veel waard... maar ik geloof in God.'
De Wereldbank heeft toegeslagen - de lonen zijn bevroren, devaluatie van de shilling -, met als gevolg een inflatie die voor de gewone man niet bij te benen is.
Hebben die hoge heren ooit een arme gesproken?
Er hangen donkere wolken boven het Victoriameer. Ik sluit me op in mijn kamertje in de woonkazerne. Het is hier erg gehorig, over de gaanderijen galmt het van ruzie.

Om half acht hoor ik een vrouwenstem.
Ze zingt haar kind goedenacht. Andere moeders horen het ook, en vallen in.
Het is een prachtig Afrikaans liedje.
Ik luister, en krijg een brok in mijn keel. Mijn kwaadheid smelt weg.
Dit is er ook nog...

Gezegend de moeders; gezegend muziek; gezegend de kinderen...
Geldzorgen, armoede, onderdrukking; je kunt het niet onderschatten.
Maar er zijn goddank nog belangrijkere zaken dan economie.
Niet in het slijk, maar bij het zout der aarde, daar smaakt het bakkie troost het best.
In de dure hotels was de Heer niet. Ook in de banken, die families verscheuren en dromen verbrijzelen was de Here niet.
Toen ik dat avondliedje hoorde, ging ik naar buiten, op het balkon van mijn hotelkamertje staan.
En ik boog mijn hoofd.

Zo stond ik daar aan de leuning, aan het hek van het balkon van mijn hotelkamertje in Jinja.
En ineens kwam het binnen. Het was er, het is er wel, het kan binnenkomen. Het klopt.

(volgende dienst met Spencer in augustus; de lezing van september valt inmiddels ook hier te vinden)