Alberto Giacometti
1901 - 1966
Ik las in een boek van Paul Tounrnier (De Elzenkoning) het opschrift:
‘Om iets interessant te maken is het genoeg er lang naar te kijken’.
Hoe langer je naar iemand kijkt, en luistert, hoe minder je vaak begrijpt. De tijd van snel kunnen oordelen lijkt voorbij. Giacometti had erg veel moeite met iemand naar waarheid portretteren. Daar zijn indrukwekkende boeken over geschreven en documentaires over gemaakt. Vandaar dat de titel van de lezing vandaag is: De mens in de spiegel van Alberto Giacometti. Er is misschien geen kunstenaar die zozeer worstelde met het onvermogen om iemand te beschrijven, te beschilderen, vast te leggen, te begrijpen als Alberto Giacometti. Het is een thema dat mijzelf fascineert en dat te thematiseren via zijn leven en werk.
Wat u hier leest, kan dan ook niet meer dan een inleiding zijn:
Over de mens in de spiegel van Giacometti.
En nogmaals: Om iets interessant te maken is het genoeg er lang naar te kijken. Ik ben dankbaar voor de kans en de opzet die De Sprang mij heeft gegeven. Dan begint dit verhaal met het beeld van Giacometti dat we allemaal kennen.
Het staat, of liever: Hij gaat in het Kroller Muller museum in Otterlo.
De lopende man.
Er is een verlangen waarvan je niets weet
Waarnaar naar iets dat voor je uit vlucht

Er is een plek waarnaar je verlangt maar je kent
Die niet je moet leven met het onmogelijke
Dit soort dingen denk ik als ik die dunne man
Van Giacometti weer zie in zijn museum
Zo onmogelijk dun hij is al bijna verdwenen
In zichzelf in de plek waar hij staat
Hij staat daar maar hij loopt en hij loopt maar met
Lichte haastigheid hij wil gaan, voorbijgaan
Naar ergens en hij blijft dat maar willen
Je begrijpt het niet
In de ramen een parklandschap winterlicht
Stille beuken, grijs gras, en niemand
Rutger Kopland, uit “G”
Giacometti maakte deze brekebenen na de wereldoorlog, toen hij 50 was. Hij had toen al een lange carrière (loopbaan) achter de rug.
Het beeld van de lopende man spreekt aan om zijn - Wat zie je er in? Waarin komt de man je tegemoet? Levensweg, kwetsbaarheid, onzekerheid.. Het beeld van de schrijdende mens is een terugkerend thema.
Deze mens loopt heel anders dan die van Rodin. Giacometti staat aanvankelijk, zeker wat zijn leerschool in Parijs betreft via zijn eigen leraar in Rodins traditie: Werken volgens model, naar de natuur. Maar de mens van Giacometti is anders. Giacometti heeft er voor gekozen dichter bij zijn eigen beleving te komen; daar had hij, naar eigen zeggen, nog een klein beetje verstand van.
Deze breekbare mens is niet alleen tragisch.
Vaak is Giacometti zo begrepen. Als existentialist: de eenzame mens in de lege ruimte, de zinloosheid van het lopen. Het hangt er alweer maar net vanaf hoe je het bekijkt.
Giacometti vond zijn scheppen, zijn eigen lopen, allerminst zinloos.
Hij bleef veeleer zoeken, doorgaan, en, tastend, strompelend, proberen te geloven.
Deze verbeelding heet: Mens die een plein oversteekt op een zonnige zondagmorgen.
Er bestaat een typerende anekdote van de actrice Simone Signoret. Zij vertelt hoe Giacometti in de periode rond 1950, hij is dan al beroemd, een schatrijke Amerikaanse dame mag beeldhouwen en hoe ze in het café omvallen van het lachen, drinkend op kosten van de Amerikaanse dame, als Alberto zijn problemen met de dame uit de doeken doet; hoe hij haar buste iedere dag kleiner moet maken om haar wat fraaier te maken en dat hoe het kwam dat het beeld tenslotte niet groter uitviel dan een centimetertje of tien. Signoret vertelt dan verder hoe ze twintig jaar later, in een schatrijk New Yorks appartement, in gesprek komt met een gezette oude dame die haar vol trots een echte Giacometti laat zien; een portret van haarzelf, niet groter dan een pakje Marlboro en waarvoor ze naar eigen toentertijd zeggen een kapitaal heeft neergeteld - maar dat gaf niet, het is een van de enig overgebleven Giacometti’s uit zijn depressieve periode, toen hij de werkelijkheid niet aankon en zo klein mogelijk werkte...
De gaande man is vast wel een zelfportret, een bespiegeling omtrent Giacometti’s eigen voortdurende vormcrises en onzekerheid; of een beeld van de mens in die bepaalde, beperkte tijd. Maar hij is meer dan Giacometti alleen. Deze gaande mens spreekt aan omdat we hem herkennen als een icoon van onze eigen tijd. En wat je ziet, ben je zelf: de existentialist Jean Paul Sartre ziet een mens die zonder houvast en alleen in een leegte verder moet; anderen benadrukken dat hij tenminste opgestaan is en verder gaat. Dat gaan, hoewel moeizaam, hoeft niet alleen tragisch te wezen.
Hoe komt Giacometti er toe De Mens zo te zien? Wat zit er in, wat er achter?
Hoe is hij, hoe zijn wij zo ver gekomen?
Ook in zijn tekeningen en schilderijen, want Giacometti is in beide disciplines beroemd:
onzekere mensen, klein in een te grote ruimte.
De mens in de spiegel van Giacometti...
Hij zegt zelf dat zijn jeugd, eerst in in Stampa een aaneenschakeling was van veilige zekerheden, zelfvertrouwen, schoonheid, groei en bevestiging: Ik bewonderde mijzelf, dacht dat ik alles kon maken.. Dat ik kon tekenen wat ik maar wilde, maar wilde, dat ik kon zien als geen ander. En ik begon ook met beeldhouwen toen ik veertien was. En ook dat ging goed“‘. Hier een familiefoto uit 1909, met links oudste zoon Alberto (8), tussen zijn vader en hem in zijn broer Diego die zijn hele leven bij hem blijven zou, en zelf een beroemd meubelmaker werd; daaronder broer Bruno die ook ging schilderen; zijn zuster Ottilia, die met hem de kunstacademie deed en trouwens overleed in het kraambed, een gebeuren dat diepe groeven heeft nagelaten en links de moeder Annetta.
Alberto blijft zijn hele leven de familie trouw. Elk jaar gaat hij lange tijd terug naar La Stampa; alle familieleden hebben model voor hem gestaan, moeder en Diego nog het meest.
Vader Giovanni was een in Zwitserland beroemd kunstschilder in de school van de impressionisten.
De bekendste Zwitserse schilders waren kind aan huis, onder hen Hodler en Cuno Amiet, van wie ook meerdere portretten van de jonge Alberto bekend zijn. Hier Ottilia en de moeder, geschilderd door vader; hier de familie, waarbij de verdubbeling opvalt. Alberto tekent (natuurlijk). Dit is een portret van kind Alberto en dit is een van Cuno Amiet, waar vader Alberto tekenles geeft. Dit is een van de oudst bekende zelfportretten uit 1917; hij is dan 16.
In zijn pubertijd krijgt Alberto een ziekte die hem steriel maakt, en lange periodes van impotentie veroorzaakt. Waarom dat belangrijk is - omdat hij zich totaal in zijn kunst moest uitdrukken en verliezen, en omdat het de relaties met de prostituees is een ander licht zet.
Hij beeldhouwt ook en het verbaast niemand als Alberto naar de kunstacademie in Genève gaat. Hij doet niets liever en krijgt veel bevestiging. Zijn werk wordt steeds persoonlijker, hij vindt een meer en meer een onafhankelijke stijl.
In 1922 vertrekt hij ook op aanraden van zijn vader naar Parijs en huurt een atelier op Rue Hippolyte Maindron 46, samen met zijn broer Diego. Ze raken bevriend met Pierre Matisse, later kunstverzamelaar, zoon van Henri Matisse. Giacometti krijgt les in de school van Rodin van Emile Bourdelle, leerling vn Rodin, en schilderend bestudeert hij vooral Cézanne. Hier zien we twee bustes van vader en moeder; daarnaast twee bustes die ontstaan in de stormachtige periode die hem in de handen van de surrealisten brengt (waarover later meer).
Portret van de vader. Giacometti heeft het impressionisme achter zich gelaten.
In deze tijd werken zijn broer Diego de meubelmaker en hij samen. Ze leren de latere kunsthandelaar Pierre Matisse, zoon van Henri, kennen en raken bevriend.
1929: Expositie en ontmoetingen met Jean Cocteau, Leiris, Dali: de surrealisten, die de verontrustende werkelijkheid opzoeken. De dood; seksualiteit; het Niets; invloed van de verbeelding uit andere culturen.
Later noemt Giacometti deze periode een van geestelijke ballingschap, van experimenteren met ideeën die groot en cerebraal waren. De theorie en filosofie van de surrealisten ging voor de beleving. Giacometti wilde weer volgens de natuur, zijn eigen natuur werken. Hij probeerde weer te beeldhouwen en schilderen met modellen. Het leidt dat tot een definitieve breuk.
In 1933 sterft zijn vader; 1933 wordt zo het einde van een tijdperk surrealisme.
Giacometti was al eerder met de dood in aanraking gekomen; zijn zuster was overleden, en in 1921 was hij nauw betrokken geweest bij het overlijden van een passagier in de trein, de Nederlander Meurs. Giacometti was niet aan verwerken en doordenken toegekomen. In deze tijd krijgt hij een auto ongeluk en verblijft hij een periode in het ziekenhuis. Hij loopt vanaf dan mank (..).
Tegen de achtergrond van het opkomend fascisme komt hij in een crisis. In de tien jaar die volgen is hij nauwelijks tot werken in staat en vernietigt hij vrijwel onmiddellijk alles wat hij maakt.
Vaak is hij eenzaam. Wanneer Parijs door de Nazi’s veroverd wordt, vlucht Giacometti mee de stad uit. De ontreddering slaat toe. Hij ziet afgerukte lichaamsdelen.
Dit alles komt later terug in zijn werk.
Hij gaat weer in Genève wonen, ontmoet daar zijn latere vrouw en levenslang model, Annette Arp.
Tekenend en schrijvend zoekt hij manieren om uit te drukken wat hem bezielt.
Na de oorlog keert Giacometti terug naar Parijs. Hij schildert en tekent wat voor de hand ligt in zijn atelier, en in zijn herinnering. Hij beschrijft hoe alles wat hij ter hand neemt steeds kleiner wordt tot het vrijwel vergruist. Nooit zijn de beeldjes groter dan de palm van zijn hand: “Het is alsof hij ze alleen dan kan beleven, wanneer hij ze geheel met zijn hand omvat en voelt..”. Hij beschrijft hoe hij ineens een gewaarwording krijgt van de ruimte tussen mensen, hoe we meteen zien wat we willen zien en niet wat er is. Anderen zijn in je ogen maar zo klein.. En je beleving is altijd gekleurd, bepaald en beperkt door eerdere ervaringen. In die periode sterft zijn buurman en Giacometti schrijft een artikel: De Droom, De Sfinx en de dood van T.. De sfinx is het café waar hij zit, de droom een van spinnen, en nu is Giacometti in een staat om te visualiseren: hoe klein hij zich voelt in het bestaan, hoe weinig grip je hebt op sterven, de realiteit van dromen. Hij schetst zijn eigen beleving, zichzelf in het middelpunt als kijker. En de mensen - ze zijn een soort koppoters. Op een nacht ont-waart (..) hij een bekende, en nog voordat hij haar herkent, speurt hij de schim van haar aanwezig-zijn.
Kennelijk hebben mensen een grotere aanwezigheid om zich heen, dan op het eerste gezicht zichtbaar is. Het woont in de manier van lopen, van gaan, van in het leven staan; het is een voorafschaduwing, een schaduw. Giacometti voelt dat dit de kern van een mens is, misschien.
In het kijken, de manier van kijken; de blik, de visie, de ogen?
Het is een thema dat vanaf dan voorgoed in zijn werk aanwezig is; beelden die, zoals Jean Genet schreef, de broosheid van een skelet bezitten, dat uiteen zal vallen zo gauw als men het aanraakt.
De opstelling van zijn werk is ook van het grootste belang; zijn beleving; hoe de kijker er tegen aanloopt, ontmoet; de mens, het beeld in de ruimte; communicatie; leegte; ruimte. Mensen op een voetstuk. Op een troon. Op een praalwagen, haast als Epifanie, bijna goddelijk.
De beweging van het levende, van het leven zelf. Zijn manier van kijken en leven, zijn aandacht en proberen te verwoorden en verwerken blijkt aan te spreken. Hij blijkt de ziel van de tijd te raken. Uit de chaos van zijn atelier groeit iets van waarheid. Mensen hebben tegenwind. Lopen in de stromende regen vaak. Dit is een beroemde foto van Giacometti in Parijs; jas opgeslagen, de weg overstekend. De mens gaat van huis naar huis, dat gaat maar, dat doet maar, hij blijft proberen, we kunnen niet anders... En misschien is een huis een kooi, is het bestaan een gevangenis. Kijk hoe Giacometti aanwezig is en - kijkt, mee leeft en mee beleeft. Misschien is de mens een soort blinde Simson, die de gevangenis zo meteen vernietigen gaat? Alweer: wat je ziet, ben je zelf.. Het zijn ambivalente beelden.
Giacometti maakt een serie tekeningen in de spiegel - wat je ziet, ben je zelf.. Een portret van zijn moeder is zijn beleving van haar dubbelheid, van de dood in haar ogen, in zijn ogen.
De band met de familie blijft hecht, al is het verleden voorbij, de mooie werkelijkheid die we elkaar aangeprezen hebben. Hier is Giacometti weer in La Stampa, thuis, tussen de schilderijen van zijn vader. Waarom geen rechte lijnen meer? Waar is de veilige en dwingende uniformiteit gebleven?
Wie kan nog dicteren hoe de wereld er uit ziet, en wie zou je dan kunnen geloven?
Dadelijk na de pauze luisteren we naar de pianomuziek van Shostakovich, zijn variaties op de preludes en fuga’s van Johan Sebastiaan Bach; de vader, de zoon, de wereld die voorgoed veranderd is. Heimwee maar de realiteit is onontkoombaar. Die moet je onder ogen durven zien.
We zullen veel portretten zien van zijn levensgezellin Annette; zij zou wel graag een wat normaler en huiselijker leven willen leiden, en Giacometti zelf ook. Hij zegt ergens dat hij juist is gaan doen wat hij niet kon, dat het een obsessie is geworden, en hoe graag hij het definitieve schilderij of beeld zou willen pakken maar hoe hem dat ook steeds weer ontglipt. Hoe hij als een Sisifus gedoemd is om te blijven proberen, te blijven lopen inderdaad, kwetsbaar en eenzaam en breekbaar als je bent. Soms is vallen vliegen, soms is opstaan hachelijk.
Een tekening van Giacometti
zijn harde potlood eindigt
in een gom. Hij draait het
om en om en stuft vier lijntjes weg
Met het puntje van zijn tong
tussen zijn tanden veegt hij
licht de tekeningen in
Zo wist hij wat wij dachten
tot verschijnt wat hij doorziet
Wat als je even niet zou kijken
je dan misschien vanuit een ooghoek
ziet.
Uit: J. Bernlef, de kunst van het verliezen, Querido 1980
Fascinerend zijn de vaak uitputtende sessies met de groten van de tijd, Genet, Stravinsky, schrijvers, dichters. Je ziet Giacometti werkelijk worstelen met materiaal en model: Net dacht ik nog dat ik u kende, maar ik ken u helemaal niet, nu ontsnapt u me weer - wie bent u nu werkelijk..
De eenzaamheid en heiligheid van de mensen zijn hem oprecht blijven boeien - ook weer in de dubbele zin van het woord. Fascinerend zijn bezoeken aan de zelfkant van het leven. De afgrond die hij telkens weer opzoekt. Hij heeft het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt, gaf niet om luxe, niet om bewondering. Hij wilde gezien worden in zijn oprechtheid, was vaak woedend op de cynische Picasso, smaalde de rijke Zwitserse overheid die alleen wilde wat veel geld opbracht. Het is de ironie van het lot dat het Zwitserse biljet van honderd frank aan hem gewijd is. Jaja na je dood. En nu, in Zürich, in Basel, in Bern, zijn er prachtige exposities van zijn werk. Gelukkig.
Maar we kunnen veel beter zijn verbeelding het werk laten doen, na de pauze.
In 1965 gaat Giacometti nog een keer naar Amerika. Het is een jaar voor zijn dood.
Hij beeldhouwt onder meer de dichter Elie Lothar.
Aan boord van het schip schrijft hij in zijn dagboek de passage die we als zijn testament kunnen zien.
En met die eigen woorden besluiten we het deel voor de pauze:
Dat alles, bijster veel is het niet -
schilderen, beeldhouwen, tekenen, schrijven -
literatuur, bedoel ik.
Dat alles heeft gewoon zijn plaats,
en meer is het niet!
Het blijven proberen, dat is alles; daar gaat het om.
(En dan die laatste uitroep:)
Wat een wonder! -----